Een 23-jarige man raakt betrokken bij een verkeersongeval op de snelweg. Het was een regenachtige dag en het was druk op de weg, waardoor er sprake was van langzamer rijdend verkeer. De man bestuurde zijn bedrijfswagen toen een personenauto hem links inhaalde en vervolgens kort voor hem invoegde op de middelste rijstrook. Op dat moment reed een vrouw achter hem in haar personenauto. Vanwege de inhaalactie van de invoegende auto zijn zowel de bestuurder van de bedrijfswagen als de bestuurster van de achteropkomende auto gaan remmen. De bestuurder van de bedrijfswagen draaide naar rechts en kwam dwars op de rijrichting tot stilstand. De vrouw die achter hem reed, botste tegen de rechterzijde van de bedrijfswagen. Beiden zijn met hulp van een motoragent naar de vluchtstrook gegaan, waarna zij op een nabijgelegen parkeerplaats samen het aanrijdingsformulier hebben ingevuld. De bestuurder die het ongeval veroorzaakte stopte kort daarna verderop op de vluchtstrook, maar reed vervolgens door en is onbekend gebleven.

Aansprakelijk gesteld

De bestuurder van de bedrijfswagen heeft de bestuurster van de achteropkomende auto via haar verzekeraar aansprakelijk gesteld. De verzekeraar heeft de schade bij haar volmachtgever (de partij die namens de verzekeraar de schadeafhandeling verzorgt) gemeld. De volmachtgever heeft laten weten de aansprakelijkheid niet te aanvaarden en heeft de bestuurder van de bedrijfswagen verwezen naar het Waarborgfonds (een fonds dat schade vergoedt bij ongevallen met onbekende of onverzekerde voertuigen). Ook het Waarborgfonds heeft laten weten geen schadevergoeding uit te keren. De bestuurder van de bedrijfswagen heeft vervolgens formeel aangifte gedaan van het verlaten van de plaats van het ongeval door de bestuurder van de invoegende personenauto.

LetselPro ingeschakeld

De 23-jarige man heeft zich tot LetselPro gewend. LetselPro heeft de volmachtgever verzocht alsnog aansprakelijkheid te aanvaarden. De volmachtgever heeft echter haar afwijzende standpunt gehandhaafd, evenals het Waarborgfonds. Later heeft de man zich opnieuw bij de volmachtgever en de bestuurster gemeld met nieuwe foto’s. Zij hebben ondanks rappel niet gereageerd. Vervolgens is de man een deelgeschilprocedure gestart.

Hij baseert zijn verzoek op de Wet deelgeschilprocedure voor letsel– en overlijdensschade (artikelen 1019w tot en met 1019cc van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). Deze procedure biedt in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. Daarvoor is wel nodig dat de toedracht van het ongeval voldoende vaststaat.

Beoordeling deelgeschilrechter

De deelgeschilrechter beoordeelt deze kwestie als volgt:

“Op dit moment is niet duidelijk of het voertuig dat invoegde de auto van de verzoeker aan de voorzijde heeft geraakt, zoals door de verzoeker is gesteld. Ook is het niet duidelijk of de achteropkomende bestuurster eerst de achterzijde van de bedrijfswagen van de verzoeker heeft geraakt voordat zij tegen de zijkant botste. Hiervoor kan bewijslevering plaatsvinden, bijvoorbeeld door middel van getuigenverhoren. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat dit meer zal inhouden dan alleen het horen van de achteropkomende bestuurster. De rechtbank heeft toen al aangegeven dat deze deelgeschilprocedure zich daarvoor niet leent.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat verzoeker de aansprakelijkheid van de verzekeraar en de achteropkomende bestuurster thans uitsluitend baseert op de stelling dat laatstgenoemde onvoldoende afstand heeft gehouden omdat zij de auto van verzoeker aan de zijkant heeft geraakt. Dit feit staat vast, en datzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor de omstandigheden die daaraan vooraf zijn gegaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat de toedracht van het ongeval voldoende vaststaat en dat zij over voldoende feiten beschikt om zich een oordeel te kunnen vormen over het verzoek. Ook leent het verzoek zich naar zijn aard voor behandeling in deelgeschil. De rechtbank gaat daarom over tot de inhoudelijke beoordeling daarvan.

Gelet op de feiten zoals hierboven zijn vermeld, staat vast dat verzoeker door het invoegende voertuig van een onbekend gebleven bestuurder is afgesneden, omdat deze kort voor hem heeft ingevoegd op de snelweg. Vanwege deze actie is verzoeker gaan remmen en is uiteindelijk dwars op de weg tot stilstand gekomen. Hierop heeft de achteropkomende bestuurster de bedrijfswagen van verzoeker aan de zijkant geraakt. De vraag is of de achteropkomende bestuurster daarvan een verwijt kan worden gemaakt.

Op grond van artikel 19 RVV moet een bestuurder in staat zijn om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is. Volgens vaste rechtspraak brengt het enkel achterop rijden bij een andere auto niet zonder meer met zich mee dat de bestuurder van de achteroprijdende auto een verkeersfout heeft gemaakt. Hoewel de bestuurder van de achteroprijdende auto voldoende afstand tot zijn voorganger moet houden, kunnen er zich ook situaties voordoen waarbij de achteroprijdende bestuurder niet aansprakelijk is voor de botsing. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de voorligger plotseling zonder reden of noodzaak remt, of wanneer de achteroprijdende bestuurder door een andere bestuurder in een zodanige situatie wordt gebracht dat hij zijn auto niet op tijd tot stilstand kan brengen.

Naar het oordeel van de rechtbank doet de laatste situatie zich hier voor. Het invoegende voertuig heeft plotseling en met een veel hogere snelheid willen invoegen voor de verzoeker. De achteropkomende bestuurster heeft verklaard dat zij dit voertuig heeft zien inhalen en daarop is gaan remmen. Ook verzoeker heeft gereageerd, maar verloor daarbij de controle over de bedrijfswagen en kwam zo dwars voor de auto van de achteropkomende bestuurster tot stilstand op de snelweg. Hierdoor was er geen sprake meer van een voortgaande beweging van de verzoeker en werd de remweg van de achteropkomende bestuurster onverwacht aanzienlijk verkort. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij op deze gebeurtenis niet kunnen en ook niet hoeven te anticiperen. Doordat verzoeker tot stilstand kwam, ontstond tussen de twee voertuigen abrupt een zodanig korte afstand dat de achteropkomende bestuurster een aanrijding niet kon voorkomen. Tussen partijen is niet in geschil dat zij geen uitwijkmogelijkheden had. Onder deze omstandigheden kan de achteropkomende bestuurster geen verwijt worden gemaakt van het niet tijdig tot stilstand brengen van haar auto.

De conclusie van de rechtbank is dat er geen sprake is van aansprakelijkheid van de verzekeraar en de achteropkomende bestuurster. Voor zover de verzoeken van de verzoeker zich op hen richten, wijst de rechtbank deze af.”

De afronding van de zaak

De volgende vraag is of het verzoek gericht op het Waarborgfonds wel kan worden toegewezen. Ook dit is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Dit verzoek is gebaseerd op artikel 25 lid 4 WAM en ziet uitsluitend op het verhalen van schade. Van aansprakelijkheid van de achteropkomende bestuurster en de verzekeraar is niet gebleken, zodat het verzoek tot schadeverhaal niet kan worden toegewezen. Aan de rechtbank is niet voorgelegd of het Waarborgfonds gehouden is de schaderegeling zelfstandig op te pakken.

Het Waarborgfonds ziet een tweede deelgeschilprocedure over deze vraag niet zitten en pakt de schaderegeling zelfstandig op.

Voor het ongeval was de bestuurder van de bedrijfswagen werkzaam als zzp’er in de bouw. Hij heeft sinds het ongeval klachten aan zijn hoofd, rug en benen gehad. Ook is hij doorverwezen naar een psycholoog.

Uiteindelijk weet LetselPro deze letselschadezaak te regelen met het Waarborgfonds voor een bedrag van €45.000,-.

Doe de letselschadetest!